Artikel 1–3
Pétanque wordt gespeeld in tripletten (3 tegen 3), doubletten (2 tegen 2) of enkelen (1 tegen 1). Bij tripletten beschikt elke speler over twee ballen. Bij doubletten en enkelen beschikt elke speler over drie ballen.
Ballen moeten van metaal zijn en goedgekeurd door de FIPJP. Diameter tussen 70,5 en 80 mm, gewicht tussen 650 en 800 gram, hol van binnen en zonder toevoeging van materialen zoals lood, zand of kwik. Merk en gewicht moeten ingegraveerd zijn en leesbaar blijven.
Het cochonnet is van hout of FIPJP-goedgekeurd synthetisch materiaal, diameter 30 mm (tolerantie ± 1 mm), gewicht tussen 10 en 18 gram. Het mag niet met een magneet opgepakt kunnen worden.
Artikel 4–6
Pétanque kan op elke ondergrond gespeeld worden. Voor nationale kampioenschappen moet het terrein minimaal 15 m lang en 4 m breed zijn. Voor andere wedstrijden mogen federaties variaties toestaan, mits niet kleiner dan 12 m × 3 m.
Wanneer op afgebakende banen wordt gespeeld, zijn alle grenslijnen verlieslijnen. Een bal of cochonnet die een verliesbaan verlaat is dood, tenzij de tegenstander de voordeelaanvraag toepast.
Artikel 7–10
Voor de eerste mène beslist loting welke ploeg het cochonnet mag gooien. Daarna gooit altijd de ploeg die de voorgaande mène gewonnen heeft.
De werpkring heeft een diameter van 35 tot 50 cm. De kring moet op meer dan 1 meter van elk obstakel liggen. Beide voeten moeten volledig binnen de kring staan en mogen de kring pas verlaten wanneer de gespeelde bal de grond heeft geraakt. De speler mag niet springen of hinkelen.
Het cochonnet moet op een afstand van 6 tot 10 meter van de kring gegooid worden, op meer dan 1 meter van elk obstakel. De ploeg beschikt over maximaal één minuut. Als het cochonnet niet correct geplaatst wordt in twee pogingen, mag de tegenstander het plaatsen.
Artikel 11–17
De ploeg die het cochonnet heeft gegooid speelt de eerste bal. Daarna speelt altijd de ploeg die geen punt heeft. Als beide ploegen gelijk liggen, speelt de ploeg die het laatste gespeeld heeft opnieuw. Wanneer een ploeg al haar ballen op heeft, speelt de tegenstander al zijn resterende ballen.
Een speler beschikt over maximaal één minuut om te gooien, vanaf het moment dat de situatie op het terrein vastgesteld is.
Tijdens de worp moeten toeschouwers en spelers de grootste stilte in acht nemen. Tegenstanders moeten zich achter de kring of voorbij het cochonnet ophouden, zijdelings ten opzichte van de speelrichting en op ten minste 2 meter afstand.
Het is verboden om tijdens een partij een proefworp te doen, ook buiten het speelveld. Elke gespeelde bal telt.
Artikel 18–23
Een bal die het speelveld verlaat is dood en wordt verwijderd, tenzij de tegenstander de voordeelaanvraag toepast. Een bal die terugkeert op het speelveld na contact met een obstakel is eveneens dood.
Als een spelende bal een andere bal of het cochonnet raakt en verplaatst, blijven alle verplaatste objecten op hun nieuwe positie liggen, tenzij de worp ongeldig was.
Wanneer een worp ongeldig is, mag de tegenstander de voordeelaanvraag toepassen en de worp alsnog geldig verklaren. In dat geval blijft alles op zijn nieuwe positie liggen.
Artikel 24–27
Het cochonnet is dood wanneer het het speelveld verlaat, niet meer zichtbaar is vanuit de werpkring, of meer dan 20 meter van de kring terechtkomt. Als het cochonnet dood is terwijl beide ploegen nog ballen hebben, wordt de mène nietig verklaard.
Als het cochonnet geraakt wordt door een toeschouwer of een bal van een aangrenzende baan, wordt het teruggezet op zijn oorspronkelijke positie indien deze gemarkeerd was.
Artikel 28–30
Aan het einde van elke mène telt alleen de ploeg met de dichtstbijzijnde bal punten. Zij krijgt zoveel punten als ze ballen dichter bij het cochonnet heeft dan de beste bal van de tegenstander. Een partij wordt gespeeld tot 13 punten.
Bij twijfel over welke bal het dichtst bij het cochonnet ligt, wordt gemeten. Meten met de voeten is verboden. Op ieder moment kan een scheidsrechter worden geraadpleegd; zijn beslissing is definitief.
Als na meting twee ballen van verschillende ploegen exact even ver van het cochonnet liggen, worden er geen punten gescoord. De ploeg die het cochonnet voor die mène heeft gegooid, gooit het ook voor de volgende mène.
Artikel 31–35
Het is verboden de baan te besproeien, te egaliseren of op welke manier dan ook te wijzigen. Eveneens verboden: de ballen van de tegenstander behandelen met welke substantie dan ook, en het cochonnet verplaatsen om het beter zichtbaar te maken.
Een eerste overtreding leidt tot een officiële waarschuwing. Een tweede overtreding door dezelfde speler leidt tot onmiddellijke uitsluiting van de wedstrijd. De eerder gespeelde mènes blijven geldig.
Veelgestelde vragen
Ja, mits beide voeten volledig binnen de kring staan en de rand niet overlappen. De speler mag ook geknield gooien, zolang beide voeten de kring niet verlaten voor de bal de grond raakt.
Een bal die na het spelen stilstond en daarna door wind of een hellend terrein beweegt, wordt teruggeplaatst op haar laatste rustpositie, mits die positie gemarkeerd was.
Als het cochonnet niet meer zichtbaar is vanuit de werpkring, is het dood. De mène wordt nietig verklaard indien beide ploegen nog ballen hebben.
Nee. Zolang het meten niet afgerond is, mag geen bal gespeeld worden. De tijdslimiet begint pas te lopen zodra de situatie volledig duidelijk is.